Ga naar de inhoud

Een Bemelenaar in China I - Stichting Heemkunde Bemelen

Menu overslaan

Een Bemelenaar in China I

Het verhaal van Bemelen
EEN BEMELENAAR IN CHINA

´Verleden maandag mocht de parochie van Bemelen zich verheugen in een feest, zooals zij naar menschen geheugen nooit getuige was geweest.´ Zo luidt de eerste regel van een bericht in het Venloosch Weekblad van 30 oktober 1886. Het is inderdaad een bijzonder feest: het opdragen van de eerste H. Mis door Désiré Leesens, telg uit een vooraanstaande familie in Bemelen, kleinzoon van wijlen burgemeester (van 1831 tot 1865) Thomas Leesens.
Désiré Hubert Mathieu Theophile Leesens, geboren op 21 oktober 1861 is in de wieg gelegd voor een leven in dienst van de Heer. Na zijn studie aan het Klein Seminarie op Rolduc en het Groot Seminarie in Roermond wordt hij op 18 oktober 1886 tot priester gewijd. Een week later is hij het middelpunt van een feestelijke dag in zijn geboortedorp.

Het Venloosch Weekblad schrijft:  ‘Van vele huizen wapperde de driekleur, de geheele parochie vierde feest. Ten 10 uur werd de jonge priester door den zeer eerw. heer pastoor der parochie, vergezeld van eene talrijke schaar geestelijken, aan het ouderhuis afgehaald en naar de kerk gevoerd, voorafgegaan door familie, bloedverwanten en kennissen. Aan de kerk werd hij verwelkomd door het zangkoor der parochie, Sint Cecilia, onder uitvoering van een prachtige feestcantate, waarna hij de mooi versierde kerk werd binnengeleid en vervolgens het H. misoffer begon, terwijl gemeld zangkoor eene welbestudeerde muziekmis uitvoerde.’  

Die feestelijke start is het begin van een ongekend avontuurlijk leven in dienst van het geloof. Op 17 september 1888 legt Désiré Leesens zijn gelofte af bij de Congregatie van het Onbevlekt Hart van Maria, beter bekend als de missionarissen van Scheut (bij Brussel, waar hun moederhuis is gevestigd). En een week later stapt hij in Marseille op de boot voor de lange reis naar het andere einde van de wereld, naar zijn eerste missiepost in het grensgebied tussen China en Mongolië.  

Het moet voor Désiré Leesens een totale ommekeer in het leven zijn geweest. Het maandblad De Katholieke Missiën plaatst op 1 januari 1890 – Leesens is dan nog maar een paar maanden in China – een verslag van de reis, te paard en te voet, naar zijn missiepost in de afgelegen provincie Binnen-Mongolië. ‘Wij stonden vlak voor een zandwoestijn (…) Daar rezen zandbergen voor ons op, die ons bijna de haren te berge deden rijzen. De luchtstroom deed de fijne stofdeeltjes zoo opvliegen, dat de toppen schenen te rooken, en de bergen bijna het voorkomen hadden van vulkanen’.

Het missiewerk onder de deels Mongoolse, deels Chinese bevolking verloopt moeizaam. Voor een deel heeft dat te maken met de volksaard van de (beoogde) bekeerlingen, meldt Leesens in De Katholieke Missiën, het missieblad van de Paters van Scheut. ‘Wat geaardheid betreft is de Chinees in handel en wandel koud, onverschillig en schrikkelijk praalziek. Iedereen is bij hen, om zo te zeggen, advokaat. De Mongolen missen de scherpzinnigheid der Chinezen, en zijn bovendien trager, lichtzinniger en ongemanierder.’

En áls het dan eens lukt met het vormen van een christelijke gemeenschap, liggen de Chinese autoriteiten steeds vaker dwars. In China neemt het verzet tegen de groeiende economische en politieke invloed van het westen hand over hand toe. Christenen staan steeds vaker aan vervolging blootstaan. De onrust groeit. In juni 1900 meldt missiebisschop Ferdinand Hamer vanuit Mongolië in een brief aan zijn ouders in Nederland nog optimistisch: ‘Het broeit van alle kanten, maar vooral in het zuiden. God dank zijn wij nog vrijwel in vrede.’ Nog geen twee maanden later is hij dood. Vermoord. Net als zo’n vijfhonderd andere westerlingen – vooral zendelingen en missionarissen – en vele duizenden Chinese christenen in wat later bekend zou worden als de Bokseroorlog.

In Bemelen groeit de ongerustheid. Het contact met de missiegebieden in het Chinees/Mongoolse grensgebied is verbroken. Het ergste wordt gevreesd. Maar Désiré Leesens leeft. Hij heeft samen met vijf collega’s net op tijd zijn missiepost verlaten. Hun opdracht: vluchten voor het geweld, zo snel mogelijk naar de Russische grens en dan naar Europa. ‘Wij vertrokken, het jachtgeweer in de hand’, schrijft Leesens later. Het begin van een helletocht die tweeënveertig dagen zal duren. Om Oerga (de oude naam van Ulaanbataar, hoofdstad van Mongolië) te bereiken, moet het gezelschap de Gobi-woestijn oversteken. Een reis van honderden kilometers door onherbergzaam terrein, in een bar klimaat. In een verslag schrijft Leesens later: ‘Verscheiden onzer paters hebben deze eindeloze vlakte, met steenen bezaaid, gedeeltelijk te voet moeten afleggen, daar de paarden van uitputting bezweken. Honger, maar vooral veel dorst lijdend, legden we gemiddeld zes mijlen per dag af.’

Uiteindelijk bereikt de groep Oerga. Leesens: ‘We bleven er echter slechts twee dagen, want een weg van tien dagen scheidde ons nog van K’lachta aan de Russische grens.’ Twintig ossenwagens krijgen de missionarissen tot hun beschikking, zodat ze de reis iets comfortabeler kunnen voortzetten. In het Russische Irkoetsk stappen de missionarissen op de trein, om na een reis van ruim 5.000 kilometer – tien dagen en tien nachten – via de Trans-Siberische spoorlijn in Moskou te arriveren. Waarna nog één (lange) etappe rest, via Warschau, Berlijn en Keulen naar Brussel. Op 10 november 1900 arriveren Leesens en zijn kompanen in het moederhuis van de congregatie in Scheut.
 
De meeste paters, ook Désiré Leesens, maken van de gelegenheid gebruik om hun familie in Nederland en België te bezoeken. Leesens neemt zijn intrek op landgoed Sparrendaal bij Vught, het opleidingscentrum voor missionarissen van de paters van Scheut. Daar doet hij, zowel lichamelijk als geestelijk, nieuwe krachten op. Krachten die hij nodig zal hebben, want zijn werk is, vindt hij, niet gedaan. Een bericht in De Gelderlander van 15 november 1900 – slechts vijf dagen na de behouden thuiskomst van Leesens – is er duidelijk over. ‘Als de rust hersteld is, zal hij naar zijn missiegebied terugkeeren.’ En inderdaad. In april 1901 meldt De Noord-Brabander: ‘Hedenmiddag met den trein van 2.04 uit ’s Bosch verliet de WelEerw. Pater D. Leesens wederom ons Vaderland om terug te keeren naar de missie van Zuidwest-Mongolië.’
 
Het begin van een nieuw hoofdstuk in het levensverhaal van Désiré Leesens. Maar dat is voor een volgende keer…

Fotobijschriften:

  • Pater Désiré Leesens (foto archief Paters van Scheut/Kadoc Leuven)
  • Désiré Leesens met een aantal van zijn Chinees/Mongoolse bekeerlingen (foto archief Paters van Scheut/Kadoc Leuven)
  • Even veilig terug bij het moederhuis in Scheut. Désiré Leesens staat op de eerste rij, derde van rechts.

Heemkunderubriek Tump juni 2026
Stichting Heemkunde Bemelen
Terug naar de inhoud
App-pictogram
Stichting Heemkunde Bemelen Installeer deze applicatie op uw startscherm voor een betere ervaring
Tik op Installatieknop op iOS en vervolgens "Toevoegen aan uw scherm"