Ga naar de inhoud

Een Bemelenaar in China II - Stichting Heemkunde Bemelen

Menu overslaan

Een Bemelenaar in China II

Het verhaal van Bemelen
EEN BEMELENAAR IN CHINA (2)

 
April 1901, een bericht uit De Noord-Brabander: ‘Hedenmiddag met den trein van 2.04 uit ’s Bosch, uitgeleid door zijn familieleden (…), verliet de WelEerw. Pater D. Leesens wederom ons Vaderland om terug te keeren naar de missie van Zuidwest-Mongolië’

De Bokseropstand in China is voorbij. Een 50.000 man sterke internationale troepenmacht – Russen, Britten, Duitsers, Fransen, Japanners, Amerikanen, Italianen en Oostenrijkers – heeft de opstandelingenbendes uit elkaar te drijven, strafexpedities gestuurd naar gebieden waar buitenlanders en christenen vermoord zijn. Maar de rust in China is nog lang niet weergekeerd.
In de Limburger Koerier verschijnt in januari 1902 het volgende bericht: ‘Met genoegen vernemen wij, dat de Eerw. Heeren Désiré Leeseens en Hubert van de Meerendonk, (…) behouden zijn aangekomen.’ Een beschrijving die geen recht doet aan de slopende laatste etappe van de reis die op 21 november begint in Tasjkent en ‘2000 werst oftewel 400 uren’ verderop eindigt in de stad Koeldja (tegenwoordig Yining) in de Ili-vallei. Een tocht per kar en paard over hobbelige, vaak niet bestaande wegen. Onderweg is het snijdend koud – ‘Onzen armen koetsier liepen de tranen uit ogen, die dan in grote ijsbollen op zijne breede wangen bleven hangen.’ – en het gezelschap wordt langdurig gevolgd door een roedel hongerige wolven. Van de Meerendonk: ‘Jammer dat de Mauser-revolver van pater Leesens niet geladen is. Wij halen die uit zijne valies, de pater laadt hem en gaat daarna op zoek. Maar ze zijn te ver om te schieten.’

Maar op 10 december arriveren Leesens en Van de Meerendonk, geradbraakt, toch in Koeldja. Daar komt Leesens begint er langzaam maar zeker achter dat het werk in zijn nieuwe missiegebied moeilijk zal zijn. De regio Ili is uitgestrekt en woestijnachtig, telt weinig katholieken, maar des te meer islamitische nomadenstammen die notoir lastig te bekeren zijn. Leesens waagt diverse pogingen, maar de toegang tot de tenten wordt hem geweigerd. Terwijl de Kalmukken toch bekend staan als zeer gastvrij. Als hij via een tolk vraagt wat er aan de hand is, krijgt hij te horen dat ‘van hogerhand’ bevel is gegeven alle omgang met de Europeanen te vermijden. Een pas van het keizerlijke hof in Peking, waarin de paters alle bescherming en medewerking wordt toegezegd, blijkt in de praktijk niets waard.

Leesens blijft door het missiegebied reizen om te zoeken naar mogelijkheden voor een nieuwe missiepost. Dat is niet ongevaarlijk. Int is nog steeds een chaos in grote delen van China, banditisme viert hoogtij, en de paters gaan dan ook altijd gewapend op pad. Tijdens een reis naar Sihou brengt dat Désiré in problemen. Een geweer dat door een knecht ongelukkig is opgehangen, valt op de rand van Leesens’ bed, waar het afgaat. ‘En ik bekom de gansche lading in de hand – eene vreeselijk bloedende wond ter grootte van een rijksdaalder.’

Als Leesens hersteld is van zijn verwondingen, besluiten de paters van Scheut hun heil te gaan zoeken in Dzjoengarije, de regio rond de steden Oeroemtsji (het huidige Ürumqü) en Manasse (nu M’anas). Het is geen gemakkelijk gebied. Het is er kurkdroog, en de temperaturen lopen uiteen van ijzig koud (35 graden onder nul in januari) tot gloeiend heet (30 tot 38 graden in de zomer). En er is bijna altijd zand in de lucht, zand dat met een straffe windrechtsreeks uit de Gobi-woestijn wordt aangevoerd en doordringt, ‘tot in de onderkleeren’.

Maar voor het werk van Leesens is de houding van de bevolking een groter probleem. ‘Er valt een diep-ingeworteld vooroordeel weg te nemen om met vrucht te kunnen arbeiden’, schrijft hij in een brief aan het missiehuis in Sparrendaal. ‘Immers, in deze streek is de christen-godsdienst gansch onbekend, en weet men van niets anders dan dat wij de oogen der kinderen uitsteken, de ingewanden dier kleine slachtoffers doorzoeken, kortom dat de Europeaan een booswicht is, dien iedereen schuwen moet als de pest.’ Hoe stel je je te weer tegen dergelijke opvattingen? Leesens ziet maar één reële mogelijkheid: de zieken verzorgen, de behoeftigen helpen waar het kan, ‘en daarbij kunnen wij nu en dan al eens een woord over den godsdienst reppen…’ Kortom: heel voorzichtig opereren.

En dan gaat het weer mis. Het is na de Bokseropstand nooit meer helemaal rustig geworden in China. Het vertrouwen in de keizerlijke regering is tot het nulpunt gedaald, er heerst chaos. Begin oktober 1911 komt de voorspelbare explosie. De Xinhai-revolutie breekt uit, georganiseerd door een verzetsgroep die een einde wil maken aan het corrupte keizerrijk, en China om wil vormen tot een republiek. Een golf van geweld raast door het land. Overal wordt gevochten, overal vloeit bloed, bandietenbendes maken van de chaos gebruik om rovend, moordend en brandschattende rond te trekken. Leesens meldt in een brief aan het thuisfront: ‘Tot dusver zijn vermoord: in Yu-nan een missionaris; in Sen Tsu-ien een missionaris; in Si-guan verschillende zendelingen met vrouwen en kinderen; in Fung-siang-foe tweehonderd katholieken. Acht kerken zijn verwoest en geplunderd.’

Als Puyi, de laatste keizer van de Qing-dynastie, op 12 februari 1912 aftreedt, is de revolutie officieel afgelopen. Maar de rust keert zeker niet meteen terug. Tientallen rebellerende legeraanvoerders, nauwelijks van roverhoofdmannen te onderscheiden, hebben hun privé-staatjes gesticht die ze naar eigen inzicht besturen en leegplunderen. Anarchie viert hoogtij. Leesens en zijn missie overleven. Maar Manasse, gelegen in een van de meest afgelegen streken van China, is harder en onveiliger dan ooit. ‘Deze missie is een van de hardste, ruwste en moeilijkste welke er op de wereld bestaat’, schrijft Leesens begin 1913 in een brief aan zijn familie. ‘Deze provincie is een ballingsoord van alle geboefte der overige provincies. Het is een mierennest van alle mogelijke crapule, een samenraapsel, een broeinest van alle mogelijke ondeugden – Aziëns schuim.’ Maar hij laat zijn missie niet in de steek. Tot het niet anders kan.

Begin maart 1915 ontvangt het missiehuis in Sparrendaal ‘het droeve bericht van het afsterven van den weleerw. Pater Désiré Leesens.’ Op 21 februari heeft hij de geest gegeven. Een besmetting met tyfus is hem fataal geworden.

Désiré Leesens, 53 jaar oud, sterft ver van huis. Daar wordt hij ook begraven, bij het kerkje van zijn missiepost in Manasse. Bemelen herdenkt Désiré Leesens met een plechtige dienst in de parochiekerk, opgedragen door zijn broer Mathieu (kloosternaam Dom. Bernard O.S.B.). Veel collega-missionarissen van Scheut bevolken het priesterkoor. En, meldt de Limburger Koerier: ‘de kerk was dicht bezet door tal van geloovigen.’

Fotobijschriften:
  • Désiré Leesens (links) in China, samen met enkele van zijn collega-missionarissen. (Archief Paters van Scheut/Kadoc Leuven)
  • Het dodenprentje van pater Désiré Leesens. (Archief Paters van Scheut/Kadoc Leuven)
  • Het overlijdensbericht van pater Désiré Leesens in de Limburger Koerier.

Heemkunderubriek Tump juli 2026
Stichting Heemkunde Bemelen
Terug naar de inhoud
App-pictogram
Stichting Heemkunde Bemelen Installeer deze applicatie op uw startscherm voor een betere ervaring
Tik op Installatieknop op iOS en vervolgens "Toevoegen aan uw scherm"