Ga naar de inhoud

Vrijheid, blijheid... - Stichting Heemkunde Bemelen

Menu overslaan

Vrijheid, blijheid...

Het verhaal van Bemelen
VRIJHEID, BLIJHEID….

We zitten deze dagen weer midden in de vakantietijd, de tijd van vrijheid, blijheid. Maar waar komt het fenomeen ‘vakantie’ eigenlijk vandaan, en hoe lang kennen we al een zomervakantie zoals we die nu kennen?
De term vakantie is afgeleid van het Latijnse vacare, wat zoveel betekent als ‘vrij van verplichtingen’. Oorspronkelijk werd het woord gebruikt als aanduiding voor een vrije dag. Lange aaneengesloten vakanties waren er officieel niet, al konden welgestelden het zich van meet af aan wel permitteren om een (groot) deel van het jaar niets uit te voeren. In de middeleeuwen werd de term vacantiën wel gebruikt bij de rechtbank, voor periodes waarin geen zittingen werden gehouden, ook wel de Regt-swijgdaghen genoemd. Maar de eerste vorm van wat je echt vakantie zou kunnen noemen is de Grand Tour die vanaf de 16de eeuw werd ondernomen door vooral jongeren uit de rijke adel of de welgestelde burgerij, een lange reis door Europa, soms een paar maanden, soms meer dan een jaar, om de wereld te ontdekken en cultuur op te snuiven. Aan deze Touristes hebben we het woord ‘toerisme’ te danken.

Voor de ‘gewone man’ was vakantie er niet bij. Die moest werken - ook de kinderen - en had hoogstens op kerkelijke hoogfeestdagen even rust. Het zou heel lang duren voor vakantie van een exclusief privilege voor de rijken uitgroeide tot een algemeen recht voor iedere werknemer en voor elke scholier. En de scholier was er als eerste bij. De vroegste vermeldingen van schoolvakanties dateren uit de jaren 1830/1840. Heel veel stelde dat, in vergelijking met nu, nog niet voor. En vaste regels waren er niet. Het hoofd der school, soms ook het gemeentebestuur, waren in die tijd bevoegd om het aantal vrije dagen naar eigen inzicht vast te stellen.

In 1881 stelde het toenmalige hoofd van de openbare lagere school in Bemelen, J. Heijnen, een ‘Regeling van de Schooltijden en Vacantien, Klassenverdeeling en Leerplan (met vermelding der leerboeken)’ vast. Eén van de bepalingen daaruit: de kinderen kregen jaarlijks drie weken vakantie, ‘de eerste helft van de maand Augustus en de dagen van Kerstmis tot Nieuwjaar’. Nogal aan de krappe kant dus, vergeleken met de hedendaagse schoolvakantie. Schrale troost: op de kalender stonden veel meer ‘losse’ vrije dagen dan nu, meestal op kerkelijke feestdagen: ‘1 Jan., 6 Jan., de kermisdagen 17, 18 en 19 Jan., 2 Febr., de Vastenavonddagen, 25 maart, de drie laatste dagen van de Goede Week, 2e Paaschdag, O.H. Hemelvaartsdag, 2e Pinksterdag, de kermisdagen maandag en dinsdag na H. Drievuldigheid, Sacramentsdag, 29 Juni, 10 Aug., 15 Aug., 8 Sept., 15 Sept., 1 Nov., 8 Dec.’

Op zoek naar de oorsprong van de schoolvakantie gingen historici er heel lang vanuit dat die voortgekomen zou zijn uit de oogsttijd in de zomeren en de vaak noodzakelijke inzet van kinderen voor dat werk. Maar recent onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet klopt. In de Leerplichtwet van 1900 was nog de bepaling opgenomen dat kinderen maximaal zes weken vrij konden krijgen ‘ten behoeve van werkzaamheden in of voor bedrijven van landbouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of veenderij’. Maar voor zover daar gebruik van werd gemaakt, gebeurde dat meestal in voor- of najaar, niet in de zomer, en ook niet in lange aaneengesloten periodes. Het waren vooral onderwijsdeskundigen die, met succes, pleitten voor een langere zomerpauze om zowel kinderen als leerkrachten de kans te geven om even op adem te komen.
 
In de loop van de twintigste eeuw nam het aantal vrije dagen voor werknemers hand over hand toe. In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog stond in de meeste arbeidsovereenkomsten nog de zin ‘Ieder verlof is als gunst te beschouwen’. Pas in 1919 nam de Tweede Kamer de Arbeidswet aan, waarin een 45-urige werkweek, een achturige werkdag, de vrije zaterdagmiddag en de vrije zondag werden gegarandeerd. Maar pas in 1929 werden in de bouw- en in de metaalsector de eerste afspraken vastgelegd over drie (!!) vakantiedagen per jaar. En uiteindelijk waren het de Duitse bezetters die in 1941 voor alle bedrijfstakken een bindende vakantieregeling van zes dagen afdwongen. In datzelfde jaar deden ook de eerste vakantietoeslagen hun intrede.

Dat behalve de scholieren ook hun ouders ruimer in de vrije dagen kwamen te zitten, gaf vanaf 1950 een enorme impuls aan het daadwerkelijk ‘vieren’ van vakantie. Eerst nog bescheiden, in de vorm van kamperen, zeker in het begin vooral in eigen land. Een  ‘nieuwigheid’ die overigens niet overal in goede aarde viel. Voor veel oudere Bemelenaren waren de ‘nieuwe zigeuners’ die bepakt en bezakt langs ‘s Heren wegen zwierven, hun tentje opsloegen waar het zo uitkwam en zich - dat is althans de veronderstelling - van God noch gebod iets aantrokken, een doorn in het oog. Pastoor H. Nillesen van Bemelen spoorde in de jaren ‘30 van de vorige eeuw het gemeentebestuur met grote regelmaat aan om vooral streng op te treden tegen ‘het vele zedelijke kwaad’ dat gebeurde ‘bij gelegenheid van het bezoek van vreemdelingen aan onze schoone bergen en dalen, bosschen en beemden.’

Maar alles went. Zeker toen Bemelen ontdekte dat er aan de vakantie vierende mens een aardige cent te verdienen viel. En die vakantie vierende mens ontdekte na het kamperen ook de ‘sleurhut’, de weg naar het buitenland, en de verre vliegvakantie. Terwijl rond 1970 nog minder dan de helft van de Nederlanders op vakantie ging, op welke manier dan ook, lag dat een halve eeuw later rond de 80 procent.

Bijschriften illustraties:
 
  • Een blije ansichtkaart, jaren ‘50, kondigt het begin van de schoolvakantie aan.
  • Populair vakantievermaak uit de beginjaren: gezellig samen op de camping.
  • En na de tent kwam de ‘sleurhut’…

Heemkunderubriek Tump augustus 2026
Stichting Heemkunde Bemelen
Terug naar de inhoud
App-pictogram
Stichting Heemkunde Bemelen Installeer deze applicatie op uw startscherm voor een betere ervaring
Tik op Installatieknop op iOS en vervolgens "Toevoegen aan uw scherm"