Ga naar de inhoud

Een echte hondenbaan - Stichting Heemkunde Bemelen

Menu overslaan

Een echte hondenbaan

Het verhaal van Bemelen
EEN ECHTE HONDENBAAN
 
‘De trekhond is de schande onzer natie (…) De botten steken aan alle kanten uit. De schurftplekken zijn goed te zien. Dit gehele beeld toont ons de schandelijke uitbuiting van den trekhond, in al zijn treurige werkelijkheid.’

Een citaat uit een brochure van de in 1912 opgerichte Anti-Trekhonden Bond. Strijdbaar, verontwaardigd, begaan met het vaak droevige lot van ‘het paard van de armen’. Een noodkreet ook, op het hoogtepunt van de soms felle discussie in die jaren over het omstreden gebruik van trekhonden.
Een oud gebruik. Hondenkarren werden in het oude Griekenland al afgebeeld op aardewerk. De eerste vermeldingen van trekhonden – in teksten, maar ook op schilderijen - in Nederland dateren uit de 17de eeuw, maar de echte doorbraak van de hondenkar dateert vanaf het begin van de 19e eeuw. De relatief kleine en wendbare karren, voortbewogen door een dier dat aanmerkelijk goedkoper in aanschaf en onderhoud was dan een paard, werd steeds populairder voor het vervoer van kleinere ladingen.
 
In de stad maakten de melkboer, de bakker, de groenteboer en de petroleumventer – om er maar een paar te noemen – graag gebruik van de hondenkar. Op het platteland waren de hondenkarren intrek bij kleine boeren de zich geen paard konden veroorloven. Maar ook de Nederlandse posterijen maakten er tot 1922 gebruik van voor de bezorging van brieven en pakjes, en het leger had er ten tijde van de Eerste Wereldoorlog 1.200 ‘in dienst’ voor het vervoer van wapens, munitie en gereedschappen.

Rond 1900 waren er in Nederland dagelijks zo’n 80.000 trekhonden op de weg. En helaas werden die niet lang niet allemaal fatsoenlijk behandeld. Veel honden werden afgebeuld tot hun gewrichten versleten en hun voetzolen afgesleten waren, moesten veel te zware ladingen trekken, kregen slecht te eten, werden mishandeld als ze naar het oordeel van de baas niet hard genoeg werkten. Dat leidde tot steeds meer ergernis en discussie.

De Trekhondenwet, die in 1911 van kracht werd en in 1927 na een regen van nieuwe klachten werd aangepast, moest daar een einde aan maken. Er kwamen voorschriften voor de uitrusting van de hondenkar (er moesten een drinkbak en een ligplank voor de hond aanwezig zijn) en het tuig waarmee de hond werd ingespannen. De honden moesten geregistreerd worden, ouder zijn dan een jaar, en een schofthoogte hebben van minimaal 60 centimeter. Vanaf 1927 moesten de honden en de karren ook officieel gekeurd worden voor ze de weg op mochten.
Rond 1937 waren er in Limburg nog ruim duizend geregistreerde trekhonden. Ook in Bemelen, op het Gasthuis, in Sint-Antoniusbank en op ’t Rooth waren ze een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld. Een register van afgegeven nummerbewijzen aan houders van hondenkarren in de gemeente Cadier en Keer uit 1928 vermeldt bijvoorbeeld de namen van P. Frijns, N. Leesens (later als vergunninghouder opgevolgd door zijn zoon Johannes, Sjang) en Willem In de Braek, allen inwoners van Sint-Antoniusbank.

Het register van houders van trekhonden in de gemeente Bemelen, gestart in 1911, meteen na het van kracht worden van de Trekhondenwet, stopte in 1947. Toen verdween de laatste hondenkar er uit het straatbeeld. Maar vóor die tijd waren het – opmerkelijk – vooral de bewoners van het Gasthuis die zich met trekhonden bezighielden. En dan niet alleen met het gebruik ervan als trekdier, maar ook met het fokken en de verhandeling van de trekhonden, zoals blijkt uit tal van advertenties in de Limburgse kranten in de eerste helft van de vorige eeuw. We komen er onder meer de namen Thomassen, Drummen, Vromen, Kusters, Braeken, Duyzings en Debie tegen.

Hoe belangrijk de trekhonden waren, blijkt ook uit het gegeven dat ze in de aankondigingen van openbare notariële verkopen van agrarische bedrijven nadrukkelijk vermeld werden als deel van de inboedel. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de verkoop – vee, machines, inboedel – in 1908 van het bedrijf van de kinderen Sleijpen op het Gasthuis, en in 1922 bij een vergelijkbare verkoop van het bedrijf van de familie Braeken-Willems, eveneens op het Gasthuis.

Na de invoering van de Trekhondenwet in 1911, en zeker na de aanpassing van die wet in 1927 met verplichte periodieke keuringen, liep het aantal trekhonden in Limburg gestaag terug. Waren er in 1937 nog rond de 1.100, rond 1957 waren in deze provincie nog maar veertien trekhonden geregistreerd, verdeeld over twaalf gemeenten. In 1954 was al bepaald dat er, in afwachting van een algeheel verbod op het gebruik van trekhonden, geen nieuwe vergunningen verleend zouden worden. Dat wettelijke algemene verbod kwam er pas in 1962. Ter vergelijking: in Engeland werden trekhonden al in 1855 verboden…

Fotobijschriften:
  • De trekhond, tot laat in de eerste helft van de twintigste eeuw een vertrouwd straatbeeld.
  • Het speldje van de Anti-Trekhonden Bond.
  • Mevrouw Lemmens (links) achter de hondenkar (foto genomen in Wijlre).
  • Advertenties uit Limburgse kranten (1900-1940) wijzen op een levendige handel in trekhonden in Bemelen, met name op het Gasthuis.

Heemkunderubriek Tump april 2026
Stichting Heemkunde Bemelen
Terug naar de inhoud
App-pictogram
Stichting Heemkunde Bemelen Installeer deze applicatie op uw startscherm voor een betere ervaring
Tik op Installatieknop op iOS en vervolgens "Toevoegen aan uw scherm"