Over hagen en tuinen
Het verhaal van Bemelen
OVER HAGEN EN TUINEN
Toen Julius Caesar in de jaren 58 tot 50 voor het begin van onze jaartelling met zijn legioenen naar het noorden kwam om in een reeks van bloedige veldtochten Gallië te veroveren, stuitten zijn troepen onder meer in het land van de Nerviërs – in het huidige België – op gebieden met veel heggen. De Romeinen vervloekten die heggen, want ze boden de tegenstanders volop gelegenheid om zich te verschuilen en vanuit een hinderlaag toe te slaan.
Waarom deze korte historische inleiding? Omdat Julius Caesar in zijn verslag van de Gallische veldtochten – het beroemde boek Commentarii de Bello Gallico - voor het eerst melding maakte van het bestaan van heggen in het noordwesten van Europa. Heggen die toen overigens nog vooral dienden als verdedigingswerk rond nederzettingen, en in mindere mate als begrenzing van eigendommen of om vee te beschermen tegen roofdieren. Caesar beschrijft ook dat het grootste deel van die heggen gevlochten was, met aangeplante struiken die in elkaar gebogen werden.
Na de vermelding van heggen door Caesar in zijn Commentarii de Bello Gallico blijft het heel lang stil over wat na die tijd ook al in grote delen van onze omgeving een opvallend element in het landschap moet zijn geweest. Pas in de middeleeuwen duiken nieuwe sporen uit de geschiedenis van de heggen op. Op prenten uit die tijd zijn omheiningen van dode takken te zien. En de Engelse landbouwdeskundige John Fitzgerald beschreef in 1589 in zijn Booke of Husbandry (een handboek voor de veehouderij) hoe onder meer in de Nederlanden op grote schaal omheiningen van vlechtwerk werden toegepast.
In dat kader duikt in middeleeuwse geschriften ook de term t(huun) op – in het Middelnederlands ook wel tuen of tuyn – als benaming voor een omheining in de vorm van een vlechtwerk van tenen of rijshout. Een term die na verloop van tijd niet alleen voor de omheining, maar ook steeds vaker voor het omheinde gebied werd gebruikt: ziedaar de herkomst van ons woord ‘tuin’. In het Duits staat de verwante term Zaun nog steeds voor de omheining.
Enfin, we dwalen af. Waar het om gaat: het vlechten van heggen mag een eeuwenoud ambacht heten, en de heg is ongetwijfeld een eeuwenoud landschapselement. Rond 1900 was ons heggenlandschap volgens de deskundigen op zijn hoogtepunt. Met name in de anderhalve eeuw daarvóór was het aantal heggen aanzienlijk gegroeid. In die periode werden op grote schaal de ‘gemene gronden’ – gronden die door een dorpsgemeenschap gezamenlijk werden gebruikt om er het vee te laten grazen (gehoed door herders, of vastgelegd, getuierd) – omgezet in particulier eigendom. Dat leidde tot een enorme versnippering, met veel kleine percelen, wat een evenredige groei van het aantal perceelsgrenzen betekende. En die perceelsgrenzen werden ‘hard’ en zichtbaar gemaakt met heggen.
Dat is zo’n beetje het landschap dat veel ouderen zich uit hun jeugd nog zullen herinneren: heel gevarieerd, kleine percelen, veel heggen. Heggen die van de weeromstuit steeds vaker niet meer volgens de authentieke methodes gevlochten werden – arbeidsintensief werk – maar ‘opgebouwd’ uit stekelig en snelgroeiend struikgewas, vooral meidoorns. Dat heggenlandschap hield stand tot iets na het midden van de vorige eeuw. Toen deden zich twee ontwikkelingen voor die samen tot een forse neergang leidden: de uitvinding van het prikkeldraad (in 1873 in Amerika, en in deze streken na de Eerste Wereldoorlog steeds populairder), en de veranderingen in de landbouw, die steeds grootschaliger werd, waarbij perceelsbegrenzingen als heggen alleen maar in de weg stonden. In de twintigste eeuw verdween naar schatting ruim 200.000 kilometer heg uit het Nederlandse landschap.
Maar het tij is inmiddels weer gekeerd, Langzaam maar zeker is de waardering voor heggen in de afgelopen decennia weer gegroeid. Duidelijk is inmiddels dat heggen niet alleen cultuurhistorisch erfgoed zijn, belangrijke elementen in het landschap, maar ook onmisbaar als schuil- en nestelplaats voor veel dieren en als verkeerswegen waarlangs tal van dieren zich veilig en beschermd door een niet altijd even natuurvriendelijk landschap kunnen bewegen. En natuurlijk zijn heggen ook gewoon mooier dan prikkeldraad…
Inmiddels is er bij die herwaardering van de heg ook sprake van een opbloeiende interesse in de oude technieken van het heggenvlechten, het tuune. In Bemelen is dat ‘geadopteerd’ door de Vogelwerkgroep. Wie vaker rond het dorp wandelt en zijn ogen de kost geeft, ziet op diverse plaatsen rond het natuurgebied van de Bemelerhei, fraaie voorbeelden van zo’n getuunde heg.
Fotobijschriften:
- Heggen zorgen voor extra ‘vergroening’ van het landschap.
- Prikkeldraad speelde vorige eeuw een belangrijke rol bij het verdwijnen van heggen.
- Voorbeeld van een ‘getuunde’ (gevlochten) heg aan de voet van de Bemelerhei. (foto VWBemelen)
- Vrijwilligers van de Vogelwerkgroep aan het werk bij het ‘tuune’. (foto VWBemelen)
Heemkunderubriek Tump maart 2026








